Manchester I Een beetje New York, een beetje Londen

Het gevoel van Manchester in een notendop beschrijven, het vergt geen hogere wiskunde: de stad is klein en behapbaar, en daardoor makkelijk te ontdekken.

Het mysterie van Manchester dat na een weekend in de stad onopgelost blijft: waar is iedereen eigenlijk? In het stadscentrum wonen een kleine 600.000 mensen, maar ik weet bij god niet waar die zich schuilhouden. Wonen ze ondergronds? Hebben ze zich verstopt? Zijn ze, net voor de kerstdagen, de stad ontvlucht? Zitten ze in de pub? In het voetbalstadion voor de derby United-City? Met een oppervlakte van amper vier vierkante kilometer is het centrum van de stad kleiner dan pakweg Leuven, maar er wonen tegelijk wel twintig keer zoveel mensen. Daar is op straat, vreemd genoeg, niets van te zien. Het is hier zo rustig, zo gezellig, zo toegankelijk ook.

Tegelijk heeft de stad op sommige plekken de allures van een grootstad – Greater Manchester telt een kleine drie miljoen inwoners. Vanuit mijn hotelkamer aan de rand van het centrum, achttien hoog, zie ik wolkenkrabbers in aanbouw rond een historisch centrum. Manchester is één grote bouwput. Op weg met de tram naar de stad zie ik vooral nette huizen in aangename buitenwijken. Het is een stad die zich niet makkelijk in één hokje laat stoppen, en dat is net heel fijn: een groots dorp, op-en-top Brits, een stad in transitie, een grootstad in wording. Een totaal andere stad dan Londen, ook. Soms heb ik zelfs het gevoel dat ik eerder in Brooklyn of Williamsburg, New York City, ben.

COTTONOPOLIS

Het is, zoals vaak, de liefde voor tv-series die me naar Manchester brengt. Cold feet speelt zich hier af, zowat de Britse Friends voor dertigers tot vijftigers. Queer as folk twintig jaar geleden ook, een uitstekende tv-serie over de gayscene in Manchester. Er is ook de muziek van Manchester, met onder meer Oasis, The Smiths, Joy Division, The Verve en The Stone Roses naast Simply Red en zelfs Take That. Er is mijn liefde voor Engeland, en tegelijk het beschamende besef dat ik alleen nog maar in Londen, Brighton en een boerengat in Kent ben geweest.

Het Manchester Central Convention Complex is een mooi voorbeeld van herbestemming: het oude pakhuis is nu een winkelcentrum met een bioscoopcomplex. Op de achtergrond staat Deansgate Square, met 201 meter het hoogste gebouw van de stad.

Nochtans verdient Manchester zeker een bezoek, en haast u maar voor de transitie zich voltrokken heeft. Nergens in Europa zijn meer flatgebouwen in aanbouw dan hier. Jonge mensen die het leven en de huizenprijzen in Londen niet meer kunnen betalen, vinden steeds makkelijker de weg naar Manchester. Ze geven nieuwe energie aan een stad die ooit, vanaf midden achttiende eeuw, ‘Cottonopolis’ was, de katoenhoofdstad van de wereld – met dank aan het vochtige klimaat, de aanwezigheid van water(kracht)en steenkool en de gunstige ligging, niet ver van de Engelse westkust.

De stad barstte uit haar voegen tijdens de industriële revolutie. In 1910 werd 65 procent van alle katoen ter wereld in Manchester verwerkt. Het was een kapitalistische stad, die de filosofen Karl Marx en Friedrich Engels samen met grote ogen bestudeerden om hun marxistische theorieën op te baseren. Kinderarbeid en sociale ellende, daar moest snel tegen opgetreden worden, vond Engels, die het in de fabriek van zijn eigen vader allemaal zag gebeuren.

POMPIDOU

Hatch, aan de rand van het stadscentrum, is een containerdorp zoals je ook in de Londense wijk Shoreditch vindt.

Alle belangrijke gebouwen in Manchester stammen nog uit die tijd en waren ooit deel van de katoenindustrie: pakhuizen, warenhuizen, beursgebouwen, transportcentra. Vandaar dat de stad vooral donkerrood en bruin kleurt, naargelang de soort steen die werd gebruikt. Al die gebouwen van weleer werden intussen herbestemd. Het statige beursgebouw van de Royal Exchange, bijvoorbeeld, dat ooit het epicentrum van de katoenhandel was. Het werd in de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd en maar voor de helft gerestaureerd. Toen de katoenhandel in Manchester helemaal instortte, stond het gebouw leeg. In 1976 werd een stalen bol in het gebouw geïnstalleerd, die nu fungeert als een populair theater. Het lijkt wel Centre Pompidou, met de stalen balken en grote schroeven.

We staan ernaar te kijken samen met Jonathan Schofield. Hij is stadsgids, spraakwaterval, auteur van een prima reisgids en ook redacteur bij Manchester Confidential, het grootste onafhankelijke magazine van de stad. In anderhalf uur tijd toont hij ons de hele stad – nogmaals: zo klein is het hier.

EEN BEETJE NEW YORK

We beginnen bij Mackie Mayor, een recente hotspot in Manchester. In de oude vleeshallen, net als in het New Yorkse Meatpacking District, zitten nu tientallen eetkraampjes verzameld. Het hele gebouw werd prachtig gerenoveerd, de vloer werd gerecupereerd uit de turnzaal van een school. Het is hier ’s middags en ’s avonds over de koppen lopen. Je eet hier aan lange tafels over twee verdiepingen verse pizza, fish-and-chips, pad thai en ander vers streetfood.

Het Principal Hotel, met de hoge toren, domineert de hele buurt rond het treinstation Oxford Road. In het hotel zit The Refuge, een culinaire aanrader.

We zitten daarmee meteen in het hart van het Northern Quarter, de winkel- en uitgaansbuurt van de stad. Vroeger was dit een grauwe drugsbuurt, maar vraag nu aan eender wie waar je ’s avonds moet zijn, en ze zeggen allemaal: ‘Try the Northern Quarter!’ In de buurt rond Oldham Street krijgen we voor het eerst dat verwarrende gevoel dat we in een New Yorkse wijk zijn beland – denk Lower East Side, Soho of Williamsburg. We zijn niet alleen: Dale Street, een beetje verderop, werd gebruikt als decor in Captain America: The first avenger (2011), omdat de straat zo weggeplukt lijkt uit het New York van de jaren 40. Morbius, een Marvel-film die later dit jaar uitkomt, liet gele taxi’s in Oldham Street rondrijden, zette wat Amerikaanse brievenbussen neer en voilà: het leek helemaal New York.

Je vindt hier bovendien alleen maar fijne, onafhankelijke zaakjes en winkels – Carhartt is de enige uitzondering, met twee vestigingen tegenover elkaar, maar de industriële mode van het merk misstaat hier niet. De platenwinkel Piccadilly Records is een instituut in de stad. Nog zo’n tempel is Afflecks Arcade. Ooit was dit een statig warenhuis, nu is het een punkachtige overdekte markt met meer dan zeventig kleine winkeltjes. Je vindt hier vooral vintage mode, platen en tatoeages – en véél volk, per jaar zowat een miljoen bezoekers.

OVERAL BIJTJES

Manchester heb je zo in de vingers – of in de voeten, want slenteren en wandelen is wat je hier moet doen. Het is een makkelijke stad om te ontdekken, omdat de buurten zo duidelijk afgelijnd zijn. Ze zijn elk maar een paar straten groot, maar heel anders van karakter. Na een dag vind ik vrijwel blindelings de weg, en ik heb het oriëntatievermogen van een meisje van zes.

Common is een brunchplek in het Northern Quarter.

In het noordoosten grenst het Northern Quarter aan Ancoats. De hippe winkels en koffiebars maken hier plaats voor gerenoveerde fabrieken en woontorens. Ooit woonden hier de meeste arbeiders van de stad, vooral uit Italië en Ierland, vaak in slechte omstandigheden. Het werd ‘the world’s first industrial suburb’ genoemd. Na de Tweede Wereldoorlog werd het een gevaarlijke buurt, die stilaan leegliep. Nu vind je er hippe restaurants en koffiebranders. De sfeer is heel anders dan in het gezellige, wat rommelige Northern Quarter: hier loop je in vierkanten tussen hoge rode gebouwen. Sommige zijn oud, sommige nieuw, maar je ziet het verschil amper. Voor je het weet, bereik je de rand van de stad en zit je in het veld. Bevreemdend.

Ook opvallend: overal in de stad zie je bijen afgebeeld. Ze staan op vuilnisbakken en lantaarnpalen, als streetart op gevels, op T-shirts, tassen en logo’s. De bij is het symbool van Manchester sinds de 19de eeuw, en staat voor industrie, werkethiek en samenwerking. Dit is een stad waar ooit heel hard gewerkt werd, en dat mag nooit vergeten worden.

Ten zuiden van het Northern Quarter ligt dan weer, een beetje verborgen, Chinatown, na dat in Londen het grootste van het Verenigd Koninkrijk. Er is een statige Chinese poort, er zijn restaurants, salons, Aziatische supermarkten en veel schreeuwerige neonreclames. Net als in Londen, dus, maar veel rustiger.

ALAN TURING

Cocktail Beer Ramen + Bun: de naam bekt niet lekker, in tegenstelling tot de Japanse ramen die je hier eet. Hipsterhemel in Northern Quarter.

Van hieruit kun je naar de Gay Village, langs het kanaal. Canal Street – voor de bijnaam wordt de C weggelaten – is de bekendste straat van de homobuurt. Ook in Bloom Street en Major Street vind je enkel homobars en -discotheken. Dit is waar Queer as folk zich destijds grotendeels afspeelde. Overdag is het hier doods, ’s avonds is de sfeer eerlijk gezegd wat gezapig. We hadden er misschien te veel van verwacht. Misschien dat het hier ’s nachts een dol feest wordt, maar daarvoor zijn we te oud en te moe.

Alan Turing heeft hier wel een standbeeld, de homoseksuele wetenschapper uit Manchester die de Enigmacode van de nazi’s kraakte en wiens leven werd verfilmd in The imitation game met Benedict Cumberbatch.

Via Princess Street, jawel, kom je bij St. Peters Square, waar je vooral de Central Library niet mag missen met de grote glazen koepel in de ronde leeszaal. Hier zitten studenten muisstil te studeren – ze komen hier in groten getale, sinds de renovatie van 2014.

BIERPALEIS

John Rylands Library: een must visit, gratis bovendien

Mantra op de cadans van de wandeling: o, wat is het hier fijn, en dat we hier nu pas voor het eerst zijn!

De Central Library grenst aan Peter Street, waar je niet voorbij Albert’s Schloss kunt – de kans is groot dat mensen aanschuiven om binnen te kunnen. Het is de populairste uitgaansplek van Manchester, al meteen sinds de opening in 2015. Vroeger was dit een ontmoetingsplaats voor methodisten, nu is het een soort Beiers bierpaleis met plaats voor 600 man en elke avond liveoptredens. Hier recht tegenover ligt het Manchester Central Convention Complex, gehuisvest in een oud katoenwarenhuis. Het is nu een winkelcentrum met een filmzaal.

Via Peter Street kom je aan Deansgate, de grote winkelstraat van Manchester. Forsyth is een fantastische muziekwinkel, met partituren per instrument en een verdieping vol vleugelpiano’s – ideaal als souvenir. Maar bezoek vooral de John Rylands Library, een van de meest intrigerende gebouwen van de stad. Het lijkt een middeleeuwse burcht, maar dit is victoriaanse architectuur. Het gebouw ging open op 1 januari 1900 en werd besteld door Enriqueta Rylands. Ze was de weduwe van John Rylands, een steenrijke katoenhandelaar. Nog indrukwekkender dan het gebouw is de collectie, met geschriften die teruggaan tot het derde millennium voor Christus, eerste edities van Shakespeare en het oudste fragment uit het Nieuwe Testament dat bewaard is gebleven. De leeszaal is fantastisch, met bustes van grote denkers en wetenschappers. De beelden van John en Enriqueta Ryland bewaken de leeszaal aan weerszijden.

HELEMAAL ROND

Deansgate leidt in het noorden naar de winkelbuurt, waar je alle grote ketens vindt. Hier is het op zaterdag wel druk, of wat had u gedacht. Speciale vermeldingen zijn er voor Selfridges en de enorme vestiging van het Britse instituut Marks and Spencer. Een blokje verderop ligt de kathedraal, met het breedste schip van het hele Verenigde Koninkrijk. Fans van het betere orgel staan hier te zwijmelen. De kerk is hier overigens mee met haar tijd: Alicia Keys, Elbow en Fun Lovin’ Criminals gaven hier al concerten.

Dat is Manchester in een drafje en in een notendop. Een stad die op u wacht, en die mij snel terugziet. Ook al ziet ze er de volgende keer wellicht alweer helemaal anders uit.

Copyright De STANDAARD – STIJN DE WOLF

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in op de nieuwsbrief

Ontvang al onze nieuwe promoties en kortingen rechtstreeks in je mailbox

Je bent ingeschreven!

Share This