De beste band ter wereld

Once were brothers, Robbie Robertson & The Band is een schitterend tijdsdocument, voorzien van de mooiste muziek die in de jaren 60 en 70 werd gemaakt. Het is ook een problematische brok zelfbewieroking door Robertson. Tsk!

The Band: bassist Rick Danko, drummer Levon Helm, pianist Richard Manuel, organist Garth Hudson en gitarist Robbie Robertson.  rr Inmiddels zijn wij oud en wijs genoeg om te beseffen dat The Band de beste band ter wereld was, maar het heeft even geduurd voor dat tot ons doordrong. We hoorden hun muziek voor het eerst op Before the flood, een livealbum uit 1974 van Bob Dylan & The Band, maar wat ons betrof van Bob Dylan. Het was de registratie van een tournee waarop onze held zich liet begeleiden door een ons toen onbekende groep baardapen met de suffe naam The Band. Hij gaf hen tijdens die concerten, en dus op die plaat, gul de ruimte om eigen songs te brengen, die we aanvankelijk negeerden om naar de ongehoord energieke en rauwe versies van Dylan-klassiekers te luisteren.

Tot we gingen inzien dat de tome­loze energie van die concerten goeddeels aan die muzikanten te danken was, en we toch eens de moeite namen om te luisteren naar bij nader inzien prachtsongs als ‘The weight’, ‘Up on Cripple Creek’, ‘The ­shape I’m in’, ‘Stage fright’ en ‘The night they drove old Dixie down’. Een unieke mix van country, blues, folk en rock-’n-roll die we nu americana noemen, maar die toen gewoon ‘de muziek van The Band’ heette. Hun belang voor de popmuziek kan moeilijk overschat worden, maar wordt voortdurend onderschat. Ze begonnen eind jaren 50 als The Hawks, de begeleidingsgroep van rockabillyzanger Ronnie Hawkins, en begeleidden Dylan ook al op zijn legendarische tournee van 1965-66, waarop ze avond na avond op boe­geroep werden onthaald, omdat het publiek Dylan nog altijd als een folkzanger zag – ‘Een vreemde manier om je brood te verdienen’, zegt Robert­son.

Pas in 1967 namen ze als The Band hun eerste album op, in het lelijke roze huis dat ze samen hadden gekocht in Woodstock, New York. Ze modderden wat aan in een zelf ingericht studiootje in de kelder. Dylan, die in de buurt woonde, kwam af en toe langs om wat nieuwe songs uit te testen, wat tot de pas veel later uitgebrachte en daardoor mythische The basement tapes leidde, maar de groep zelf verbaasde de wereld datzelfde jaar met Music from Big Pink, met eigen songs waar het speelplezier en de virtuositeit afspatten. De vijf ­leden hadden elk een eigen rol, maar ze konden allemaal elk instrument bespelen dat je hen in handen duwde (vooral organist Garth Hudson was een geniale multi-instrumentalist) en de groep had drie geweldige leadzangers: drummer Levon Helm, pianist Richard Manuel en bassist Rick Danko. Gitarist en belangrijkste songschrijver Robertson zong zelden of nooit, hoewel uit zijn latere solowerk zou blijken dat hij dat best wel kon.

“Robertson mag aan het eind doodleuk vertellen dat hij Helm nog op zijn sterfbed heeft bezocht om het bij te leggen. Hij was al niet meer bij bewustzijn, maar ik heb zijn hand vastgehouden”

The Band was de meest onhippe groep die je je kon voorstellen, midden in het hippietijdperk: ze zagen eruit als hillbilly’s, ze grepen terug naar de bron in plaats van naar psychedelica om muziek te maken, ze pasten zodanig slecht in de tijdgeest dat ze hem haast gingen bepalen. Na de mijlpaal die Big Pink was, volgden nog enkele erg goeie tot uitstekende albums, maar in 1975 was het op.

Robbie Klegerman

Hoe dat zo kwam te gebeuren, mag ­Robertson omstandig uitleggen in Once were brothers, een documentaire die al van 2019 dateert, maar nu pas bij ons wordt uitgebracht. ‘Once were brothers’ is ook een song van Robertson, hij staat op zijn recentste soloalbum, ook uit 2019, en gaat over het uiteenvallen van The Band, zoals wel meer van zijn songs. De documentaire is deels een biografie van Robertson, die in 2017 zijn memoires schreef. Ze is gestoffeerd met nooit vertoonde archiefbeelden en zit vol heerlijke anekdotes, verteld door Robertson zelf, maar ook door de altijd even sappige Ronnie Hawkins en door wereldsterren als Bruce Springsteen, Eric Clapton, Van Morrison en, je houdt het niet voor mogelijk, Dylan. Daarnaast horen we nog een hele trits vrienden van Robert­son, en zijn ex-vrouw, met wie hij het nog altijd goed kan vinden.

Wie niet aan het woord komt, zijn de andere leden van The Band. Daar is in drie gevallen een goeie reden voor: ­Manuel beroofde zich in 1986 van het ­leven, Danko stierf in 1998 aan de gevolgen van zijn alcoholverslaving en Helm hield het in 2012 voor bekeken na een strijd van zeven jaar tegen keelkanker. Maar ook Hudson komt niet aan het woord, en die leeft wel nog. Wilde hij liever niet, of had Robertson het liever niet, daar hebben we het raden naar.

Robbie Robertson op het podium naast Bob Dylan, in 1974. rr

Aanvankelijk stoort dat niet. De ­Canadees Robertson is een rasverteller. Hij praat bedachtzaam, traag en helder, maar zwierig, nooit lijzig. Je hangt voortdurend aan zijn lippen. En wat een verhaal is het ook. Hoe zijn ooms in het Six Nations-reservaat in Toronto (zijn moeder was indiaanse) hem gitaar leerden spelen. Hoe zijn moeder hem, ­nadat zijn gewelddadige vader uit hun leven was verdwenen, vertelde dat zijn echte vader een Joodse gangster was, en hij eigenlijk Klegerman heet. Hoe hij op zijn vijftiende van school ging om zich bij The Hawks aan te sluiten, nadat hij Helm achter Hawkins had zien drummen alsof zijn leven ervan afhing. Hoe diezelfde Helm er halverwege de tournee met Dylan in 1966 de brui aan gaf: hij moest die wispelturige, arrogante kwast niet en kon niet om met het voortdurende boegeroep, hij ging liever op een boorplatform werken in de Golf van Mexico. Hoe hun vriendschap alles overwon, en Helm terugkeerde om in Big Pink weer achter de drums plaats te nemen. Hoe de vriendschap en de chemie tussen vijf totaal verschillende kerels tot de mooiste muziek leidde die in de sixties gemaakt is. En hoe het succes van die muziek hen uit elkaar dreef.

Het laatste walsje

Vanaf dan wordt het problematisch. ­Robertson is onze enige bron in de kroniek van het verval, en dat wringt. De enige voor hem kritische passage is die waarin de gewiekste David Geffen (Asylum Records) hem in ’74 paait met een mooie platendeal, en Robertson niet doorheeft dat Geffen hem alleen gebruikt om bij Dylan te raken. Voor de rest mag hij zich afschilderen als de drijvende kracht achter The Band, en de enige (samen met de stoïcijnse Hudson) die niet zwichtte voor de drie verzuchtingen die het succes met zich bracht: vrouwen, drank en drugs. ‘Ik wou niet nog eens op tournee met een koffer vol heroïne’, verklaart hij laconiek waarom het op een bepaald ogenblik ophield.

The Band eindigde toch nog groots, met het legendarische afscheidsconcert The last waltz, in 1976. Van dat vedettefeestje maakte Martin Scorsese toen een film. Helm, die tot zijn dood wrokkig zou blijven jegens Robertson, omdat die alle songrechten voor zich hield, was toen al boos omdat Robertson als enige lid van de groep mee met Scor­sese in de montagekamer mocht. Robertson bleef ook daarna goed bevriend met Scorsese, hij schreef de muziek voor veel van diens films. Scorsese is ook uitvoerend producent van deze documentaire, waarin Robertson zichzelf goedpraat tot het pijnlijk wordt. Zeker aan het eind, als hij doodleuk mag vertellen dat hij Helm nog op zijn sterfbed heeft bezocht om het bij te leggen. ‘Hij was al niet meer bij bewustzijn, maar ik heb zijn hand vastgehouden.’

“The Band was de meest onhippe groep die je je kon voorstellen, midden in het hippietijdperk. Ze pasten zodanig slecht in de tijdgeest dat ze hem haast gingen bepalen”

Wat de documentaire verzwijgt, is dat The Band na The last waltz weer ­samenkwam, hoewel Robert­son dat koudweg ontkent. De vier andere leden maakten jaren nadien nog platen en traden op, zonder hem. Ook zonder potten te breken, waaruit je zou kunnen afleiden dat Robertson het genie van de groep was, maar zijn solo­albums gingen net zo goed ongemerkt voorbij. Wellicht vat Springsteen het juist samen, als hij in het begin van ­deze documentaire zegt: ‘Die vijf kerels waren elk afzonderlijk niet zo bijzonder, maar als ze samen muziek maakten, was dat pure magie.’ 

In Big Pink, het roze huis in Woodstock waar The Band woonde en werkte.  rr  

Copyright De Standaard I Tom Heremans I Zaterdag 16 januari 2021 om 3.25 uur

0 reacties

Schrijf je in op de nieuwsbrief

Ontvang al onze nieuwe promoties en kortingen rechtstreeks in je mailbox

Je bent ingeschreven!

Share This